652. The Flemish Blessing 

In bed

Haast smekend vroeg ze of ze mocht blijven. Ze kon zich ziek melden, was toch al te laat. Maar hij gaf niet toe. Hij wilde zichzelf herontdekken vandaag en dat moest verder op z’n eentje gebeuren. Ze snapte het, kroop uit bed en maakte zich snel klaar. Volledig aangekleed keek ze even op hem neer, boog dan voorover en drukte een tedere kus op zijn lippen. Haar linkerhand rustte op zijn schouder, de rechter verdwaalde naar zijn lies terwijl ze hem toefluisterde dat hij haar straks alles moest vertellen. Het gevoel van haar warme hand in zijn lies had nagetinteld tot lang nadat het geluid van haar klakkende hakken weggestorven was.

Zijn vriendin had de merkwaardige gewoonte altijd op dezelfde manier afscheid te nemen. Ze vertrok steeds als hij nog in bed lag. Volledig aangekleed keek ze even op hem neer, boog dan voorover en drukte telkens weer diezelfde kus op zijn lippen. Hij kon weinig anders dan blijven liggen, keek soms nog wat tv, dommelde vaker weer in tot hij wakker gebeld werd. Elke morgen kwam een verpleegster langs op een vast uur om hem te wassen, aan te kleden en in zijn rolstoel te zetten. Vandaag had ze al voor de deur gestaan. Hij had haar vriendelijk weer weggestuurd.

‘Hoe voel je je eigenlijk echt?’ Zo vroeg ze het. Nu bijna drie jaar geleden hadden ze na een eerste nacht samen een hele ochtend volgepraat. Ze zaten rechtop, dicht tegen elkaar in een krap éénpersoonsbed. Ze had hem net een tas koffie en een sigaret aangereikt en wachtte geduldig zijn antwoord af. Zij wilde kleuterjuffrouw of verpleegster worden. Hij was de enige die haar begreep, bij wie ze zich goed voelde en ze moest het weten. Begripvol en bereid tot alles, zo vroeg ze het. ‘Hoe voel je je eigenlijk echt?’

Zes jaar geleden was hij zo slim geweest een ondiep zwembad in te duiken en zijn nek te breken. Dat wist ze al. Sindsdien kon hij niet meer stappen, lopen of springen. Wist ze ook al. ‘Maar hoe voel je je daarbij, slimmerik? Wat mis je?’ Niets, had hij gezegd. ‘Ik had graag wat minder gehandicapt geweest maar kunnen stappen, lopen of springen mis ik niet. Ik vind het ook niet heel erg dat ik toen in dat zwembad gesprongen ben. Anders had ik jou niet ontmoet.’ Ze had hem lachend een zeveraar genoemd en hij had beseft dat zijn antwoord misschien wel eens de waarheid kon zijn.

Die ochtend had een onverklaarbare gewaarwording hem gewekt. Verward had hij een branderig gekriebel zijn lichaam in voelen sijpelen. Langs zijn tenen kroop het omhoog, door zijn voeten, langs de hielen verder naar boven. Gelijktijdig stonden beide kuiten in brand. Begonnen als een licht gekriebel ontwikkelde het gevoel zich op weg naar boven tot een pijniging, alsof elke vezel van zijn lichaam zich hardhandig verzette tegen het geforceerde ontwaken. Op het moment dat zijn knieën op ontploffen leken te staan, schoot hij recht, smeet het deken van zich af en barstte in snikken uit. Kermend probeerde hij het gevoel weer naar onderen te kneden. Gestaag en verhevigd ging de pijniging echter verder, over de dijen langs achteren richting billen, langs voren naar de liezen toe. Hij schreeuwde het uit, wist niet meer waar zijn handen het onbegonnen gevecht met de pijn nog konden aangaan. Vergeefs vlogen ze van pijnpunt naar pijnpunt, van hielen naar kuiten, knieën, billen en ballen. De kwelling was niet te stoppen tot na een ultieme reeks steken in zijn onderrug, de pijn geleidelijk aan vanzelf wegebde.

Tijdens heel dit gebeuren had hij niet opgemerkt hoe zijn vriendin wakker geschrokken was, hoe ze hem bij de schouders had vastgenomen in een poging hem te kalmeren. Ze had hem huilend toegeroepen dat ze er was. Ze had op het punt gestaan een ziekenwagen te bellen als plots de rust in het lichaam van haar vriend weergekeerd leek. ‘Schat? Gaat het?’ Simultaan gleed hun blik af naar zijn onderlichaam. ‘Het gaat’, stamelde hij voor luid in lachen uit te barsten. Zijn handen staken in zijn slip. Hij voelde wat er zat en wat er zat, voelde dat het er zat.

Vervolgens werd helemaal duidelijk wat de wonderlijk pijnlijke gewaarwordingen hadden aangekondigd. Verbijsterd zag zijn vriendin hoe hij zijn benen oplichtte, zijn knieën strekte en op de rand van het bed ging zitten. Bij een eerste poging viel hij weer achterover. Na een tweede stond hij plots, na zes jaar verlamming, weer op eigen benen. Een hele poos bestudeerde hij vanuit de hoogte zijn lichaam. Hij had een buikje gekregen en zijn tenen zagen er niet heel gezond uit. Voor de rest verschilde het zicht niet veel van vroeger. Hij stond recht, zijn onderlichaam droeg het gewicht van zijn bovenlichaam en zijn spieren zetten zich in beweging wanneer hij het wilde. ‘Moet je een tas koffie hebben?’ Hij vroeg het quasi nonchalant maar kon zijn voorstel niet uitvoeren. Een duizelig hoofd dwong hem voorlopig weer op bed.

Daar bleven ze de rest van de ochtend liggen. Geamuseerd keek hij toe hoe zijn vriendin minutieus elk plekje van zijn lichaam afging. ‘Voel je dit?’ ‘En dit?’ Bij elk bevestigend antwoord kirde ze van plezier.

Uit bed

Als zijn vriendin straks weer thuiskwam, zou hij voor haar koken. Na het eten zou hij haar lievelingsmuziek opzetten en zouden ze dansend door hun appartement zijn herwonnen mobiliteit vieren. Dansen en koken, dat had hij gemist. Maar eerst moest hij nagaan tot wat zijn lichaam nog in staat was. Met minder moeite dan eerder spoorde hij zijn spieren aan hem uit bed te lichten. Ook het aankleden verliep verrassend vlot, enkel met zijn veters zaten zijn vingers even in de knoop. Daarna deed hij wat elke man zou doen na jarenlange verlamming. Tevreden keek hij na de verlichtende daad neer op de hoop stront die hij in de toiletpot achterliet.

Met een kom cornflakes voor zijn neus vroeg hij zich af hoe het wonder van die ochtend zich had kunnen voltrekken. Hadden de zenuwen in zijn ruggenmerg plots beslist weer aan elkaar te groeien? Of was het een tussenkomst van bovenaf? Een getuige van Jehova had reeds voorspeld dat hij ooit weer zou lopen. Maar dat zou pas gebeuren bij het einde der tijden en hij was er vrij zeker van dat het nog niet zover was. Toch had hij zich de laatste tijd wat religieuzer had gevoeld. Was hij nu dankbaarheid verplicht aan één of andere hogere entiteit? Mensen hadden zich al voor minder bekeerd. Elke zondag naar de kerk, vijf keer per dag bidden of een keppeltje en pijpenkrullen in ruil voor twee werkende benen. Het leek een faire deal maar hij zag zich zoiets niet lang volhouden. Een verlammend angstbeeld overviel hem. Wat als zijn benen morgen niet meer mee wilden?

Vastbesloten zette hij na een tijd reflecteren zijn zorgen en zijn kom cornflakes aan de kant. Hij zou  genieten en zijn benen volgen naar waar ze hem brachten. Nog onzeker van eigen kunnen ging hij de deur uit en ondervond weldra hoe hij dankzij minutieus gecoördineerde inspanningen naar de bakker gestapt werd. Hij was er in jaren niet meer geweest. Met rolstoel geraakte je er niet binnen en na een aantal keer was hij het beu geweest van buiten voor de etalage uit te beelden wat voor brood hij wilde. Nu vroeg de verkoopster zich af vanwaar ze hem kende, de dwaas lachende man die ze net drie créme- en twee chocoladekoeken had verkocht. Terwijl hij de koffiekoeken gulzig naar binnen schrokte, leidden zijn benen hem met een stevige tred tot bij de volgende tussenstop. Hij belde aan, werd onthaald door een verblufte vriend, deed zijn verhaal, sprong eens in de lucht ter demonstratie en vertrok alweer. Zo ging hij langs bij een heel aantal mensen, verblijdde eens met een tapdansje, verstomde dan weer met een kniezwengel. Ook zijn vader moest het weten. Aan de balie van het rusthuis kreeg hij echter te horen dat ze hem niet vonden. De ochtendploeg had die dag zijn bed en dat van meer dan de helft van hun andere patiënten leeg aangetroffen.

De rest van de dag slenterden zijn voeten hem rond door de stad. De stevige tred was een geslenter geworden, werd een moeizaam gestrompel. De straatlantaarns verlichtten zijn pad al een aantal uur voor hij uitermate uitgeput thuis aankwam, waar zijn bezorgde vriendin hem in bed hielp zoals ze dat de voorbije jaren al zoveel had gedaan.

En er weer in

Een jaar later zaten ze weer rechtop in hun bed, een tas koffie in de ene, een sigaret in de andere hand. De tv stond op, afgestemd op een praatprogramma. In de studio zaten twee specialisten die veel woorden nodig hadden om toe te geven dat ze ondanks intensief onderzoek niet in de buurt waren gekomen van een wetenschappelijke verklaring. Het was onwerkelijk. Hij liep nog steeds vrolijk rond en zijn rolstoel stond in een hoekje stof te vergaren. Maar hij was niet de enige geweest. In heel Vlaanderen had die bewuste ochtend in duizenden slaapkamers hetzelfde fenomeen plaatsgevonden. Elke Vlaming met handicap was sindsdien een Vlaming zonder. In de internationale pers hadden ze het al snel ‘The Flemish Blessing’ genoemd. Na de teleurstellende verklaring van de specialisten volgde een heftige discussie. De verkiezingen kwamen eraan en elke partij had zo zijn eigen voorspelbare idee over wat er met de uitkeringen moest gebeuren. Ook verdedigden ze elk vurig hun eigen – de enig mogelijke tegenover de enig aanvaardbare – oplossing voor de busjes vol gehandicapten die massaal onze richting uitkwamen. Na drie kwartier zonder merkelijke vooruitgang werd de discussie afgesloten. Als eindgast kwam Marc Herremans langs om zijn nieuwe boodschap te verkondigen. Hij benadrukte dat het hier niet bij moest blijven. Binnen korte of middellange termijn zou hij kunnen vliegen.

Vanuit hun bed hadden ze het programma gevolgd, hij met een geamuseerde, zij met een zure blik. Bij beide bleek die gelaatsuitdrukking de laatste maanden de dominante. Wat er allemaal omging in het hoofd van zijn vriendin wist hij niet, al merkte hij wel dat ze niet meer dezelfde was. Zelfs haar manier van afscheid nemen ’s ochtends was veranderd. Voor haar vertrek keek ze wel nog even op hem neer, boog dan voorover. Haar linkerhand vond zijn schouder maar de rechter was het verdwalen verleerd. Ook voelde de kus die ze tegenwoordig op zijn lippen drukte droog en koud aan, alsof al het gevoel eruit verdwenen was. Niets tintelde nog na onder het wegstervende geluid van haar klakkende hakken. Stappen, lopen en springen kon hij. De vraag zoals ze die hem jaren geleden gesteld had, slikte hij steeds weer in.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s